3: Adeldom in Nederland: hoe zit dat nou eigenlijk?
Adeldom maakt al eeuwen deel uit van de Nederlandse geschiedenis, maar hoe zit het nou precies? Vandaag een kleine introductie tot de structuur, geschiedenis en werking van adeldom in Nederland.
Adeldom is een fascinerend fenomeen dat al eeuwen tot de verbeelding spreekt. Een eeuwenoud instituut dat zich voortdurend heeft aangepast aan veranderende tijden, maar desondanks nog altijd bestaat én relevant is. Toch blijft het voor veel mensen een wat mysterieus begrip. Hoe het allemaal precies zit, hoop ik met deze korte introductie wat verder toe te lichten. Daarvoor gaan we een stukje terug in de tijd om te zien hoe het systeem van adeldom zich heeft ontwikkeld tot wat het nu is.
Laten we eerst kijken naar de titels die binnen de Nederlandse adel bestaan, van hoog naar laag in rang:
- Prins(es)
- Hertog(in)
- Markies (markiezin)
- Graaf (Gravin)
- Burggraaf (Burgravin)
- Baron(es)
- Ridder
Wie tot de adel behoort, bezit echter niet automatisch een titel. Sterker nog: het merendeel van de Nederlandse adel is ongetiteld en voert enkel het predicaat jonkheer of jonkvrouw. Er zijn slechts vier prinselijke families binnen de Nederlandse adel, waarvan het Huis van Oranje-Nassau uiteraard de bekendste is, omdat vrijwel het volledige koninklijk huis hiertoe behoort. De titel hertog(in) bestaat formeel nog wel, maar komt sinds de afscheiding van België in 1830 niet langer voor. Daarnaast is er tegenwoordig nog maar één levende markies binnen de Nederlandse adel, een persoon die bovendien één van de slechts twee niet-Nederlanders is die ooit tot de Nederlandse adel hebben behoord. Verder bestaan er nog drie burggrafelijke families (waarvan er één in Nederland woont), en een aanzienlijk aantal geslachten met de titel graaf, baron of ridder. Interessant detail: de titel ridder kent geen vrouwelijke vorm, waardoor vrouwen uit ridderlijke geslachten het predicaat jonkvrouw voeren.
Tot zover de titulatuur. Maar hoe wordt adeldom of een titel eigenlijk verkregen? Historisch gezien kon dat op vier manieren: door benoeming, inlijving, erkenning of verheffing.
- Benoeming: Door benoemd te worden in een ridderschap, vooral tussen 1814 en 1817, verwierf men automatisch adeldom.
- Inlijving: wanneer buitenlandse adellijke personen tot Nederlander werden genaturaliseerd, konden zij onder strikte voorwaarden worden ingelijfd in de Nederlandse adel. Zo moest hun bestaande adeldom vergelijkbaar zijn met het Nederlandse adelsstatuut.
- Erkenning: wie kon aantonen af te stammen van een geslacht dat vóór 1795 tot de oude adel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had behoord, kon in aanmerking komen voor erkenning.
- Verheffing: hiermee kon iemand die nog niet tot de adel behoorde, door de vorst in de adelstand worden verheven. Dit gebeurde vaak uit dankbaarheid voor bijzondere verdiensten of vanwege een langdurige maatschappelijke vooraanstaande positie van de familie. Sinds de Wet op de Adeldom (1994) is verheffing voor personen buiten het Koninklijk Huis niet langer mogelijk.
Zoals gezegd heeft de Wet op de Adeldom (1994) de instroom in de adel sterk beperkt: verheffing is nu exclusief voorbehouden aan leden van het Koninklijk Huis. Erkenning en inlijving zijn nog wel mogelijk, maar uitsluitend onder strenge voorwaarden. Betekent dit dat de Nederlandse adel langzaam verdwijnt? Zeker niet. Er zijn nog altijd ruim 300 adellijke geslachten en duizenden adellijke personen.
De Nederlandse adel kent een rijke en gelaagde geschiedenis. Hoewel de wortels veel verder teruggaan, vindt de huidige vorm haar oorsprong in 1814, toen Koning Willem I de adelstand van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden opnieuw instantieerde. In de grondwet werd vastgelegd dat de Koning adeldom kon verlenen, en vooral in de beginjaren gebeurde dat frequent ter ondersteuning van de nieuwe Nederlandse staat. Het Souverein Besluit van 1815 regelde de praktische uitvoering en bleef grotendeels ongewijzigd tot 1994.
De onafhankelijkheid van België leidde echter tot een scheiding van de adel: veel Zuid-Nederlandse geslachten kozen voor de Belgische nationaliteit en werden daardoor onderdeel van de Belgische adel. Hoewel sommige geslachten tot zowel de Nederlandse als de Belgische adel behoren (of behoord hebben), is het aantal geslachten na de onafhankelijkheid sterk verminderd. Door de afscheiding verdwenen de hertogelijke titels uit Nederland en werden ook de titels markies en burggraaf grote zeldzaamheden. Hoewel er later nog aanvragen zijn gedaan om buitenlandse hertogen in te lijven, wees de Hoge Raad van Adel deze steeds af.
Hoewel er nog veel meer over te vertellen valt, laat ik het voor nu bij deze introductie, die de deur opent naar toekomstige posts waarin we uiteenlopende verhalen en historische aspecten verder kunnen verkennen.
